bazaarmentaliteit

De vluchtelingendeal tussen Turkije en het Westen – er gaat geen dag voorbij of een krant wijdt er wel aandacht aan. Vandaag schrijftde Volkskrant erover onder de kop ‘Europa en de Turkse bazar-mentaliteit’. Steeds weer leeft namelijk de vrees voor opzegging van de vluchtelingendeal op en volgens Marcel Kurpershoek, voormalig ambassadeur in Turkije, komt dat door wat hij de Turkse ‘bazar-mentaliteit’ noemt.’

Bazarmentaliteit is geen nieuw woord, maar je moet wel erg ver terug in de Nederlandse pers om het woord te vinden. De vorige keer dat een krant het woord gebruikte, was in 2002. Toen schreef NRC over Azerbeidzjan: ‘Dit is geen markteconomie maar een bazareconomie, met een bazarmentaliteit.’ De keer dáárvoor dat het woord in een krant figureerde, was in 1993. Toen typeerde NRC een taxichauffeur als ‘het symbool van de speculatieve bazaar-mentaliteit die nu over Rusland waart’. Wie nog verder terug wil in de tijd, vindt het woord in 1981 in de Antilliaanse krant Amigoe, die wees op ‘de zogenaamde bazarmentaliteit die onder Perzen zo gewoon is’. Oudere vindplaatsen konden we zo snel niet opsnorren.

Tegenwoordig moeten we de naam van het oosterse (overdekte) marktplein spellen als bazaar. De correcte spelling is dus bazaarmentaliteit, maar interessanter is de vraag wat het woord betekent.

Daarvoor moeten we te rade gaan bij het Engels, want in die taal komt de pendant bazaar mentality al wat langer voor. Waarschijnlijk heeft het Nederlands bazaarmentaliteit geleend uit het Engels. In die taal blijkt bazaar mentality synoniem te zijn met souk mentality, wat ook weer niet zo verwonderlijk is, aangezien soek het Arabische woord is voor wat in het Perzisch een bāzār heet.Soekmentaliteit is trouwens nóg ongewoner in het Nederlands dan bazaarmentaliteit : we vonden het woord alleen in de roman De ruimte van Sololov van de onvolprezen schrijver Leon de Winter.

Uit de contexten van bazaar mentality en souk mentality in het Engels vormt zich wel een beeld van de betekenis van beide woorden. Ze verwijzen naar een mentaliteit van voor wat, hoort wat, een mentaliteit waarin alles onderhandelbaar is en iedereen zijn prijs heeft, terwijl onderlinge machtsverhoudingen en afhankelijkheden een bepalende rol spelen bij de totstandkoming van de prijs waarover voortdurend gemarchandeerd wordt omdat iedereen er steeds op uit is van elke transactie beter te worden. Geen transparante en eerlijke handel dus, en al helemaal geen fijne mentaliteit.

De strekking van het verhaal dat vandaag in de Volkskrant staat, is dat je je er eigenlijk niet door zou moeten laten besmetten, door die bazaarmentaliteit van Erdogan. Maar in de vluchtelingendeal tussen Turkije en Europa heeft Erdogan vooralsnog nu eenmaal de sterkste onderhandelingspositie en bepaalt Ankara, zoals Kurpershoek zegt, ‘door bluf, intimidatie en morele chantage’ de prijs die Europa knarsetandend moet betalen.

Marius Bauer (1877-1932), De bazaar in Damascus.

Marius Bauer (1877-1932), De bazaar in Damascus.

bazaarmentaliteit de (v) onderhandelingsmentaliteit die gekenmerkt wordt doordat partijen met elkaar marchanderen en hun onderlinge afhankelijkheid en machtsverhouding een bepalende rol laten spelen bij de onderhandelingen over de voorwaarden waaronder een deal wordt gesloten. Synoniem soekmentaliteit; English: bazaar mentality; souk mentality; Deutsch: Basarmentalität; Français: mentalité du souk/mentalité du bazar.

relipolderen

‘Islam gaat terecht niet mee in het reli-polderen’, kopt de Volkskrant vandaag op de pagina Opinie & Debat. Het woord relipolderen zal een vondst van de redacteur zijn, want in het bijbehorende (nogal warrige) artikel komt het woord – of iets wat daarop lijkt – niet terug.

De aanleiding voor de creatie van het woord relipolderen is gelegen in de volgende passage in het artikel:

‘Religie wordt uit de openbaarheid verbannen om conflicten te minimaliseren. Het gaat om tolerantie, maar om een zwakke variant daarvan: je mag je geloof belijden voor zover je niemand daarmee lastig valt. Religieuze pluriformiteit wordt ook in Nederland geaccepteerd, maar het liefst zonder de spanningen met het seculiere domein aan de orde te stellen. Ze worden gewoon genegeerd, want religie is privé. (…) De islam gaat niet mee in dit levensbeschouwelijke polderdenken. Wat de kerkleiders niet meer durven zeggen – dat religie een publieke aangelegenheid is – verwezenlijkt de islamitische gemeenschap. Het leidt tot conflicten en juist daarom zou religie uit de openbaarheid in de moskeeën, maar ook in kerken en synagogen moeten verdwijnen.’

Polderen betekent polderdenken, dat wil zeggen door overleg tot consensus komen. Het woord heeft vaak een vrij ongunstige betekenis, omdat het polderen leidt tot oplossingen waar iedereen zich in kan schikken, maar waar niemand echt blij van wordt. Misschien leidt streven naar consensus tussen kerk en staat, geloof en wereld, ook wel tot ‘vlees noch vis’ en heeft de krant het daarom over relipolderen.

Hoe dan ook, het woord relipolderen suggereert dat polderen voortaan gecombineerd kan worden met andere woorden. Dat zou kunnen betekenen dat we in de toekomst meer samengestelde woorden met polderen zullen gaan aantreffen: ecopolderen, cultuurpolderen, etnopolderen. We gaan het zien.

jihadosfeer

Was er opzet in het spel bij de foto van de boerkinibaadster die door Franse politiemensen in Nice werd gemaand haar boerkini uit te trekken? ‘Is de boerkinirel op het strand van Nice in scenè gezet’, kopt de Volkskrant dan ook vanmorgen. In elk geval, zo schrijft de Volkskrant, zijn de foto’s ‘een grote hit in de ‘jihadosfeer, de sociale media van sympathisanten van IS en Al Qaida’. Die foto’s rechtvaardigen in de ogen van de jihadisten immers de strijd tegen het westen, want dat westen bestrijdt immers ook hún geloof.

Het woord jihadosfeer troffen we dit jaar al een paar keer eerder aan. In maart had De Groene Amsterdammer het er al eens over en eind juli schreef de Volkskrant dat moslimterroristen die omwille van hun geloof westerlingen vermoorden ‘binnen de jihadosfeer als helden worden verheerlijkt’ (28/7/2016).

Jihadosfeer is een vertaling van de Engelse term jihadosphere, die op zijn beurt gevormd is naar analogie van bijvoorbeeld blogosphere (in het Nederlands blogosfeer), de naam voor het internet, beschouwd als een geheel van weblogs. Naar analogie daarvan is jihadosfeer het geheel van internetsites, blogs en sociale media waar de kleine jihad, de (gewapende) strijd tegen het ongeloof en de ongelovigen, wordt beleden en waar jihadisten informatie met elkaar uitwisselen.

Soms wordt jihadosphere ook breder gebruikt, ter aanduiding van de jihadistische wereld in zijn geheel, dus niet alleen de manifestatie daarvan op internet, maar ook die in de echte wereld. In het Nederlands lijkt die betekenis nog niet zo courant, maar dat natuurlijk nog veranderen. Vooralsnog is jihadosfeer een interessante aanvulling op onze woordenschat, maar of het woord zich daar ook blijvend in nestelt, weten we pas over enige tijd.

losersvlucht

In de marge van de Olympische Spelen van 2016 is het woord losersvlucht courant geworden. Of loservlucht, zoals NRC Next vandaag schrijft. Met beide varianten van hetzelfde woord wordt de vlucht bedoeld waarmee olympiërs en paralympiërs die ‘hun Olympische droom niet hebben verwezenlijkt’, zoals dat dan heet, van Rio naar Nederland worden gevlogen. Yuri van Gelder was een van de eersten die met de losersvlucht naar Nederland moest. Meestal staat op Schiphol geen groot welkomstcomité op de verliezers te wachten.

Losersvlucht – de gewoonste variant van het stel – dook op 10 augustus op in de krantenkolommen en is daar tot vandaag in te vinden geweest. Twee weken nadat het woord voor het eerst te lezen was in de kranten, zou je haast denken dat het er altijd al is geweest.

Losersvlucht is een woord dat afkomstig is uit de koker van de olympische sporters zelf. Die mogen dan wel aardig kunnen turnen, beachvolleyballen of surfen, maar woorden maken is niet bepaald hun stiel. Want als je een wedstrijd verloren hebt, ben je een verliezer, maar geen loser. In onze taal is een loser namelijk geen verliezer, maar een mislukkeling, een minkukel. Het tegenovergestelde van een loser is dan ook geen winnaar, maar een winner.

Een paar kranten waren zo verstandig losersvlucht vrij systematisch te vervangen door verliezersvlucht. Soms ging dat gepaard met wat woordkritiek. Zo schreef de Volkskrant dat losersvlucht ‘van weinig respect getuigt’. Verliezersvlucht maakte op 15 augustus zijn entree in de media, maar is vooralsnog minder populair dan losersvlucht.

Omdat de Olympische Spelen voorbij zijn en het sociaal onwenselijk en daarom onwaarschijnlijk is dat deelnemers aan de Paralympische Spelen losers worden genoemd, mogen we er misschien van uitgaan – of er in elk geval op hopen – dat losersvlucht vandaag voor het laatst in de krant heeft gestaan.

trashtalk

‘Trash talk is tegenwoordig populair in schaakwereld’ kopt NRC Next vandaag. Trash Talk is Engels voor beledigende taal die vooral gebruikt wordt om tegenstanders te demoraliseren. Het woord wordt nogal eens aangetroffen in Engelstalige berichten over sportevenementen, maar ook in het(Amerikaansee) politieke discours is het geen onbekend woord.

Je zou trashtalk (in het Engels wordt het als twee woorden gespeld, maar als het Nederlands is, zoals NRC Handelsblad vandaag suggereert, moet het als één woord gespeld worden, vergelijk peptalk en smalltalk) in het Nederlands kunnen vertalen als gescheld of zwartmakerij, maar die Nederlandse woorden dekken de lading niet precies. Anders gezegd: het Nederlands heeft geen equivalent voor het Engelse woord trash talk en daarom is trashtalk (bent u er nog, qua spelling?) een mogelijk interessante aanvulling op, of zo u wilt een verrijking van onze woordenschat.

Trashtalk wordt – los of aaneen gespeld – sinds ongeveer anderhalf jaar in toenemende mate aangetroffen in het Nederlands, maar echt gangbaar is het woord nog niet. Of het dat wordt, moeten we afwachten, maar áls het courant wordt, zal het uiteindelijk ook in de Dikke Van Dale komen. Maar misschien kan een creatieveling dat nog voorkomen door snel een mooi Nederlands equivalent te bedenken.

gülenist

De scholen beginnen vandaag in Midden-Nederland, vandaar dat de kranten vandaag allemaal schrijven over het conflict tussen erdoganisten en gülenisten, dat zich ook op Turkse scholen kan manifesteren. Het woord van de dag is daarom gülenist, maar het zou net zo goed erdoganist kunnen zijn. Ook al worden ze niet even vaak aangetroffen, beide woorden horen bij elkaar als dag en nacht, als water en vuur.

Het woord erdoganist (aanhanger van de Turkse president Erdogan, 1954) is nog jong. Het figureert sinds begin augustus 2016 in de Nederlandse media. Een keer of vijf troffen we het woord tot dusver aan. Het woord gülenist wordt sinds half juli 2016 – sinds de mislukte coup tegen het Erdogan-bewind in Turkije, waar Gülen naar eigen zeggen trouwens niets mee te maken heeft – geregeld aangetroffen in de media, maar het figureerde daarin al eerder. Zo schreef NRC Handelsblad op 28 maart 2014 dat Erdogan had aangekondigd ‘de zogeheten Gülenisten tot in hun hol op te zullen sporen’. Twee weken eerder had Trouw het er al over dat Erdogan ‘de Gülenisten een hak wilde zetten’ en op 26 februari schreef het regionale dagblad BNDeStem over een ‘heksenjacht op Gülenisten’. Destijds werd gülenist nog geregeld met een hoofdletter gespeld, al is dat, naar analogie van andere volgelingennamen als calvinist, marxist en confucianist strikt genomen niet nodig. Anno 2016 is gülenist (‘aanhanger van de islamitische denker Fethulla Gülen, 1941) echter overduidelijk een soortnaam geworden die in veel kranten geheel volgens onze spellingsregels met een kleine letter wordt gespeld.

In tegenstelling tot gülenist is erdoganist nog niet echt geïntegreerd in onze taal. De ‘heksenjacht’ van Erdogan en zijn erdoganisten heeft er feitelijk voor gezorgd dat het woord gülenist wel ingeburgerd is geraakt in onze taal, terwijl erdoganist dat (nóg) niet is.

Betekent dit dat gülenist in het woordenboek moet en erdoganist niet?

In de Dikke Van Dale worden volgelingen van personen niet automatisch als zelfstandig lemma opgenomen, tenzij er iets interessants over te melden is. Bij het achtervoegsel -ist worden namen van aanhangers van bekende personen opgesomd, zoals calvinist, gaullist en marxist. Zulke woorden worden echter pas zelfstandig ingang (trefwoord met een definitie) als er iets bijzonders over te vertellen is, bijvoorbeeld dat de persoonsnaam niet zozeer verwijst naar een aanhanger van de bedoelde persoon, maar naar een aanhanger van de (politieke, religieuze etc.) stroming die naar die persoon genoemd is (calvinisme, gaullisme, marxisme). Erdoganisme en gülenisme zijn echter geen van beide courant in Nederlandstalige kranten. Alleen Zaman vandaag – een Nederlandstalige Turkse krant) vermeldde tot nu toe beide woorden. We moeten dus afwachten hoe deze woorden zich ontwikkelen in onzet aal voordat we een beslissing kunnen nemen over óf en hóé deze namen van volgelingen van beide heren in het woordenboek moeten worden vermeld.

schaamtezwempak

Elke zichzelf respecterende krant schrijft vandaag weer een bladzijde vol over de boerkini. In de Telegraaf noemt Nausicaa Marbe dat ‘extremistische badtenue’ (zoals het elders werd genoemd) een schaamtezwempak en haalt een herinnering op aan een vakantie in Turkije. Toen zij daar jaren geleden met Turkse vrienden op het strand zat en een boerkinibaadster passeerde, leidde dat ‘tot gejoel en afkeurende kreten van andere vrouwelijke badgasten’.

Daar stoorde Marbe zich destijds aan, maar haar Turkse vrienden maakten duidelijk waarom ze zich zo fel verzetten tegen de boerkiniste (dat woord troffen we elders op internet aan). Deze dracht was het ‘symptoom van afnemende vrijheid’: ‘Als we vandaag de boerkinizwemster niet wegschreeuwen, zei mijn vriendin, dan jaagt zij ons morgen weg. De tolerantie is niet wederkerig. Laat je de boerkinidames hun gang gaan, dan nemen zij het strand over en zetten zij hier de islamistische norm, voor iedereen.’

Naar analogie van de redenering van haar Turkse vrienden onderbouwt Marbe nu haar eigen verzet tegen de boerkini: ‘Het sneeuwbaleffect van die opgedrongen lichaamsbedekking is groot, ook in Nederland. Hoe meer bedekking, hoe groter de druk op de onbedekte vrouwen zich te conformeren.’ Dat kan leiden tot – nóg een nieuw woord in het artikel van Marbe – bedekkingsdwang: ‘een stille, geniepige dwang die te vaak door de politiek genegeerd wordt’. Ze eindigt dan ook omineus: ‘Het zal me niet verbazen als er een tijd komt waarin we ons de liberale luxe om een boerkiniverbod lachwekkend te vinden niet meer kunnen permitteren.’

kruimel-zzp’er

De Groene Amsterdammer schrijft deze week over de moderne kleine zelfstandigen: de ‘digitale dagloners’ die vooral via internet verschillende klussen vinden, vaak van zeer uiteenlopende aard. Ze voeren die gewoonlijk uit, vaak voor een schijntje, om het hoofd maar boven water te houden. De Groene noemt hen kruimel-zzp’ers, een samenstelling van een woord met een afkorting die – met een streepje en een apostrof – alleen al uit het oogpunt van spelling interessant is.

Poucet, 'Kleinduimpje strooit kruimeltjes'

Poucet, ‘Kleinduimpje strooit kruimeltjes’

De voedingsbodem van het woord kruimel-zzp’er bestaat uit andere samenstellingen met kruimel die de laatste tijd gangbaar zijn geworden, zoals kruimelbaan ter aanduiding van deeltijdbaan en kruimelcontract ter aanduiding van een flexcontract. Kruimelen – op kleine schaal werken – is het kenmerk van het moderne hyperkapitalisme en veel zzp’ers zijn kleine kruimelaars die steeds naarstig op zoek zijn naar – bij gebrek aan beter – kruimelwerk. Over kruimelwerk gesproken, in het verleden werden flexwerkers al eens kruimelwerkers genoemd.

Kruimelwerker is – als verzamelnaam voor flexwerkers en anderen die kruimelwerk verrichten – op de lange termijn waarschijnlijk een kansrijker woord dan kruimel-zzp’er. Kruimel-zzp’er, dat deze week in De Groene debuteert, moet zich eerst nog maar bewijzen. Als het ingeburgerd raakt, zal het waarschijnlijk in een iets bredere betekenis zijn: waar De Groene kruimelzzp’er in de beperkende betekenis ‘zzp’er die via het internet allerlei uiteenlopende klussen werft’ gebruikt, zal het woord – áls het courant wordt – waarschijnlijk ‘zzp’er die allerlei kleine klussen uitvoert, ongeacht hoe die geworven zijn’ gaan betekenen.

modedetox

Samenstellingen als drugs– en drankdetox, daar kijken we niet meer van op, maar modedetox, dat vandaag in de Telegraaf debuteert, is een woord dat wel even wat aandacht verdient.

Het woord staat in een artikel over kledingverslaving, iets waar de meeste mannen geen last van hebben, maar sommige vrouwen wel: koste wat kost de laatste mode op de stoel, in de kast, aan het lijf willen hebben, zo zou je kledingverslaving kunnen definiëren. Omdat kleding vaak maar één seizoen in de mode is, stapelen de modeartikelen – de Telegraaf heeft het over fast fashion – zich op.

Daar is maar één ding aan te doen: consuminderen. Minder mode kopen dus. Dat is niet alleen beter voor de klerenkast (en voor de portemonnee), maar vooral ook voor het milieu, aldus de Telegraaf: ‘Textielproductie heeft een belastend effect op het milieu, het maken van een katoenen T-shirt kost alleen al 2700 liter water en jaarlijks verdwijnen 1,2 miljoen niet-verkochte kledingstukken ongebruikt in de verbrandingsoven.’

Deze informatie suggereert dat de modedetox niet zozeer een oplossing is voor de modeverslaving van de consument als wel een oplossing voor het milieuprobleem dat onze modeverslaving heeft geschapen. Met andere woorden: de modedetox waar de Telegraaf het over heeft, is niet primair bedoeld om onze kledingkasten niet langer te doen uitpuilen, maar om de natuurlijke hulpbronnen te ontlasten en om het milieu te ontgiften.

Kortom, mode moet duurzaam worden. Nu zijn er op dat gebied al wel wat initiatieven: inruilmode bij H&M, producten van biologisch katoen bij C&A. Die bevorderen de duurzaamheid van mode-artikelen wel enigszins, maar de échte modedetox schuilt uiteindelijk in minder kopen: ‘modedetoxen heet dat tegenwoordig’, schrijft de Telegraaf. Hebben we er nog een werkwoord bij ook!

supremacist

Supremacisten – zo luidt vandaag de kop van de column van Hassan Bahara in de Volkskrant. Hij was vorige week op weblog GeenStijl namelijk uitgemaakt voor een ‘Marokkaan die achter iedere kliko een witte supremacist vreest’ en daar rekent hij in zijn column geestig mee af: ‘Qua enge ideeën kunnen GeenStijl en ik elkaar inmiddels de hand schudden’, schrijft hij. Wat blijkt? Bahara betrapt zichzélf er namelijk op zelf een supremacist te zijn.

De afgelopen maanden stond het woord supremacist al diverse keren in de krant, namelijk als element van de Engelstalige combinatie white supremacist. Daarmee wordt – onder meer in de recente berichtgeving over de Black Lives Matter-beweging in Amerika – een blanke racist bedoeld.

In het Engels is een supremacist in het algemeen iemand die beweert dat de ene groep superieur is ten opzichte van een andere. Een male supremacist is een (mannelijke) seksist en een white supremacist is dus een  blanke racist.

In zijn column heeft Bahara de toevoeging ‘white’ niet nodig. Hij gebruikt supremacist zonder adjectief in de pregnante betekenis racist. Bahara schrijft dat hij – ook al is hij van origine Marokkaans – een supremacist is: geen blanke man, maar wel iemand die de blanke normen en vooroordelen heeft overgenomen. Hij schrijft: ‘Witte scholen, witte buurten – in mijn hoofd staat het garant voor hoge kwaliteit. Dat krijg ik mijn hele leven bevestigd in kranten.’ Ook Bahara zocht daarom, toen hij vader geworden was, onbewust naar ‘witte kinderopvang’. En getuige zijn column voelt hij zich daar nu ongemakkelijk over, al weet hij zijn racisme om te buigen ‘naar een acceptabel verhaal’.

Supremacist zal de komende tijd vast en zeker courant worden: het onderwerp leeft en supremacist is in de praktijk alleen al door de onbekendheid van het woord een fijn eufemisme voor het onaangename begrip (blanke) racist.

Nemen we supremacist gemakkelijk over uit het Engels, supremacy – waarvan het woord is afgeleid – oogt als een vreemder woord en burgert daarom minder gemakkelijk in als leenwoord.

Geen nood, de suprematiegedachte of –leer heet in het Frans suprémacisme, en dát woord laat zich wel gemakkelijk lenen. Als we supremacist definitief overnemen uit het Engels, is het aannemelijk dat in het kielzog daarvan supremacisme wordt overgenomen uit het Frans.

Ten slotte, supremacist verschilt slechts een letter van een andere persoonsnaam: suprematist. Dat is een kunstenaar die werkt in de stijl van het suprematisme, stijlrichting in de abstracte kunst van de Sovjet-Unie in de jaren 1913-1920, die vooral met geometrische vormen werkt. Malevitsj was zo’n suprematist, iemand die overigens wel vaak zwart afzette tegen wit.

Kazimir Malevitsj, Zwart vierkant, 1915

Kazimir Malevitsj, Zwart vierkant, 1915