valairbag

Twee willekeurige woorden die vandaag hun debuut maken in de media: valairbag en weidecoach. Beide zijn samenstellingen met oorspronkelijke leenwoorden – airbag respectievelijk coach . Toch oogt de ene (weidecoach) meteen vertrouwder dan de andere (valairbag).

Dat komt waarschijnlijk doordat het samenstellingspatroon met coach (leercoach, relatiecoach, werkcoach, betaalcoach) gewoon is, terwijl samenstellingen met airbag veel minder vaak voorkomen. Natuurlijk, we kennen wel wat samenstellingen met airbag waarin het eerste lid een lichaamsdeel noemt: heupairbag, hoofdairbag, knieairbag. Maar samenstellingen met airbag waarin het eerste woorddeel een handeling noemt zijn er veel minder. Botsairbag en stootairbag zul je bijvoorbeeld op internet niet vinden.

Valairbag is zo ongeveerd de enige samenstelling van een werkwoord en airbag dat sinds een paar dagen op internet wordt aangetroffen. Wie het voor het eerst – buiten z’n context – ziet, zou even in verwarring kunnen zijn over de bouw van het woord. Van de drie mensen die ik het bij het ontbijt voorlegde, sprak een het spontaan met Frans accent uit als valair + bag. Vandaar misschien dat het op internet een paar keer met een streepje gespeld wordt als val-airbag.

Maar wat is het?

Een valairbag is een soort airbag die ouderen die wat instabiel zijn geworden onder hun kleding om hun taille dragen om te voorkomen dat bij een eventuele val heupletsel ontstaat. Want bij een val blaast de airbag zich op, waardoor de oudere beschermd wordt. De valairbag werkt met een valalgoritme, dat voorspelt of en hoe iemand zal vallen. Het is dus een stukje hoogwaardige technologie.

Omdat heupletsel een groot maatschappelijk probleem is, is de valairbag een nuttig preventief zorgmiddel dat mogelijk op grote schaal wordt toegepast.

Het woord valairbag opent bovendien de weg voor andere samenstellingen met airbag, zoals de struikairbag en de tuimelairbag. Er vallen nog heel wat beschermende hulpmiddelen te ontwikkelen.

zitschade

De moderne mens voert zijn werk vaak zittend uit en daardoor bewegen we te weinig. Dat dat ongezond is, konden we de afgelopen weken al diverse malen in de krant lezen. ‘Zitten is het nieuwe roken’, zeg maar. Vanaf vandaag heeft dat ongezonde effect op ons lichaam ook een naam: zitschade.

NRC Next kopt vandaag ‘Zitschade is te compenseren’. Want wat blijkt? ‘Wie dagelijks acht uur zit, kan de daardoor aangerichte lichamelijke schade compenseren met ruim één uur wandelen, in fiks tempo,’ voegt de krant daaraan toe.

Zitschade debuteert vandaag weliswaar in een landelijk dagblad, maar helemaal nieuw is het woord ook weer niet. Wie op internet zoekt, vindt het woord vandaag al in enkele honderden berichten. Vaak in een andere betekenis. Zo heeft een website het over ‘val- en zitschade’ van de IPad, waarbij met zitschade wordt bedoeld dat iemand op de IPad is gaan zitten waardoor niet hij maar de IPad schade heeft opgelopen. Tweedehandsauto’s blijken ook weleens last van zitschade te hebben: de carrosserie en de motor is nog wel in orde, maar de bestuurderstoel of een andere autozetel is bedorven doordat er vele kilometers op gezeten is.

Maar ook op enkele gezondheidssites figureerde het woord voor vandaag al. Daar blijkt veel zitten zitschade aan de rugwervel te kunnen opleveren. Als ‘zitoplossing’ wordt daarvoor een ergonomische ‘zithulp’, lees stoel, geadviseerd.

Vanuit ‘zitperspectief’ is ook het schrijven van taalblogs, het schrijven van definities en het redigeren van woordenboekartikelen een gevaarlijk beroep. Ter bestrijding van de mogelijke zitschade die hiervan het gevolg is, bestaat er eigenlijk maar één effectieve maatregel: ontzitten.

onderwaterpensioen

Van 6,5 miljoen Nederlanders staat het (toekomstige) pensioen momenteel onder water’, schrijft de Volkskrant vandaag. ‘Verlaging van de pensioenen komt daarmee een stap dichterbij’, voegt de krant er omineus aan toe. Wat ook dichterbij komt, is de inburgering van het woord onderwaterpensioen. Op internet tref je dat as we speak twee keer aan in de correcte spelling onderwaterpensioen. Beide meldingen dateren uit 2015 en de belangrijkste vindplaats is de afscheidsrede van de Tilburgse hoogleraar Toekomstvoorzieningen Prof. Dr. Gerry J.B. Dietvorst, die eind oktober 2015 gepubliceerd werd in Circulaire. In de onjuiste spelling onder water pensioen werd het woord trouwens al in 2013 aangetroffen.

Vrijwel zeker is onderwaterpensioen gevormd naar analogie van het dankzij de kredietcrisis en de daarop volgende daling van de huizenprijzen ingeburgerde woord onderwaterhypotheek. Het probleem daarmee is, dankzij de stijgende huizenprijzen, een beetje uit de actualiteit verdwenen. Het woord onderwaterpensioen heeft daarentegen de wind mee: de almaar dalende rente op de kapitaalmarkt zorgt ervoor dat de pensioenreserves steeds minder opbrengen, waardoor de pensioenen van steeds meer mensen ‘onder water komen te staan’. Dat financieel-economisch probleem – als je de lage rentestand zo mag typeren – is de ideale voedingsbodem voor de inburgering van het nieuwe woord.

Onderwaterpensioen, daar gaan we vast nog veel over horen.

voldemortgeloof

Natuurlijk zouden we het Woord van de Dag kunnen laten gaan over het werkwoord ontkopen, dat vandaag in de Volkskrant debuteert. Die krant kopt namelijk ‘Ontkoop!’ bij een artikel over een zelfopgelegde tijdelijke consumptiestop van columniste Asha ten Broeke . Maar hé, na onthamsteren en ontspullen, waar we eerder dit jaar al over schreven, is ontkopen zó’n voorspelbaar woord.

Origineler is het woord voldemortgeloof, dat vandaag op weblog GeenStijl debuteert. Daarmee wordt het geloof aangeduid dat de media niet of slechts ongaarne met name noemen als ze moeten berichten over een aanslag waarbij een al dan niet verwarde gelovige zich in het bijzijn van anderen heeft opgeblazen ter meerdere eer en glorie van zijn god en diens profeet.

Voldemortgeloof is een eponiem, een woord genoemd naar een persoon of een personage. In dit geval heer Voldemort, het personage in de Harry Potterboeken die het kwaad belichaamt en die in de romans van J.K. Rowling ook wel ‘hij die niet genoemd mag worden’ heet. Alleen vermetele helden als Harry Potter zelf durven ‘hij die niet genoemd mag worden’ met zijn echte naam aan te duiden.

Voldemortgeloof debuteert vandaag naar aanleiding van de publicatie van een (door IS gepubliceerde) martelaarsvideo van de Syriër die afgelopen weekend in het Beierse stadje Ansbach een zelfmoordaanslag pleegde. In het Nederlands is het woord nog niet eerder gebruikt, maar in het Engels werd Voldemort’s religion al in 2014 aangetroffen. Op Engelse websites (en hier en daar ook op Nederlandse blogs) is de term voldemort effect (ook wel gespeld als voldemorteffect) wat vaker in gebruik ter aanduiding van het fenomeen dat overheden en media zorgvuldig (en soms nogal krampachtig) vermijden de religieuze achtergronden van een aanslagpleger te vermelden om te voorkomen dat diens religie hierdoor gestigmatiseerd wordt.

Behalve dat de naam van hij wiens naam niet genoemd mag worden figureert in de samenstellingen voldemorteffect en nu dus ook voldemortgeloof, wordt die naam zelf ook – in een andere betekenis – als soortnaam gebruikt. Zo typeerde Trouw in 2015 Darth Vader als ‘de Voldemort van de jaren zeventig’, beschreef Lance Armstrong zichzelf ooit als ‘de Voldemort van het wielrennen’ en werd opperboef Willem Holleeder al diverse keren in de media ‘de Voldemort van de Lage Landen’ genoemd. Het Algemeen Dagblad gebruikte Voldemort ooit ter aanduiding van een land en noemde China ‘de Voldemort van Azië’, terwijl Maarten Schinkel de geldpers in NRC Handelsblad vorig jaar omschreef als ‘de Voldemort van de valuta’s’.

Het wordt nog spannend in welke betekenis het eponiem voldemort (met een kleine letter) ingeburgderd zal raken in onze taal: in de betekenis ‘de verpersoonlijking van het kwaad’ of in de betekenis ‘dat waarvan het noemen van de naam taboe is’. Of misschien wordt het eponiem wel in beide betekenissen courant.

stolpersteen

Volgens de Dikke Van Dale is struikelsteen een in België gangbaar alternatief voor wat in Nederland meestal een struikelblok heet.  Struikelsteen wordt vandaag in NRC Next echter ook gebruikt als vertaling van het Duitse woord Stolperstein.

Stolperstein betekent in het Duits in het algemeen struikelblok (of struikelsteen dus), maar wordt in ons taalgebied meestal specifiek gebruikt ter aanduiding van stenen die in de stoep geplaatst wordt voor het voormalige woonhuis van een holocaustslachtoffer, iemand – een Jood, een homo, een Jehova’s getuige of een Sinti dan wel Roma – die het slachtoffer is geworden van de naziterreur tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Zo’n Stolperstein bevat een messing plaatje met de naam en de geboorte- en overlijdensdatum van het nazislachtoffer. Als een Stolperstein voor een woning is geplaatst waaruit meerdere mensen zijn weggevoerd, bevat deze gewoonlijk net zoveel messing plaatjes als er nazislachtoffers in het huis woonden.

Het idee achter de stolperstenen (zoals ze in onze taal ook heten) is dat ze een blijvende herinnering vormen aan een mens die het slachtoffer is geworden van een perfide ideologie. De stolperstenen zijn een initiatief van de Duitse kunstenaar Gunter Demnig, die in 1997 de eerste exemplaren plaatste in Berlijn en Keulen. In Nederland liggen er inmiddels honderden, zo niet duizenden.

De woorden struikelsteen en stolpersteen (in de Duitse oervorm Stolperstein) zijn vandaag in het nieuws omdat afgelopen weekend in Rotterdam een paar van die stenen uit het trottoir zijn gehaald. Kranten zoals het Algemeen Dagblad en NRC Next berichten dat de politie er vooralsnog niks (antisemitisch) achter zoekt en ervan uitgaat uit dat de daders ordinaire koperdieven zijn. Of zo’n complexe diefstal rendabel kan zijn, is de vraag. Misschien voor kruimeldieven: de metaalwaarde van de plaatjes bedraag namelijk niet meer dan 2 euro.

diepe staat

´Staatsgrepen: ze zijn zo 20ste eeuw’, schrijft commentator Koen Vidal vandaag in De Morgen. In werkelijkheid is staatsgreep een typisch 19de-eeuws woord. Sterker nog, het is een woord uit de tweede helft van de 19de eeuw, want tot circa 1850 werd ‘het on­wet­tig, plot­se­ling en ge­weld­da­dig in­grij­pen in de po­li­tie­ke toe­stand om die te wij­zi­gen’ in onze taal naar Frans voorbeeld nog een coup d’état genoemd. Ons woord coup, dat de media als internationaal synoniem van staatsgreep gebruiken, is daar een verkorting van. Een staatsgreep wordt soms ook wel een machtsgreep genoemd. Dat woord komt in de historische krantendatabank weliswaar één voor in de 19e eeuw (in het Algemeen Handelsblad van 19 oktober 1880), maar wordt pas in de loop van de 20e eeuw courant. Het synoniem putsch hebben we geleend uit het Duits, volgens Van Dale tussen 1900 en 1925. Inderdaad werd putsch in de jaren twintig een courant woord in het Nederlands, maar het dook al een halve eeuw eerder nu en dan op in onze taal. Zo omschrijft de Nieuwe Veendammer Courant een putsch op 11 februari 1871 als een ‘Zwitsers oproer’.

Hoewel er in Turkije de afgelopen decennia diverse staatsgrepen geweest zijn, is het Turkse woord voor staatsgreep nooit ingeburgerd geraakt in het Nederlands. Een aan het Turks ontleende term die wel hard bezig is om ingeburgerd te raken in onze taal, luidt diepe staat. Diepe staat is een vertaling van de Turkse woordgroep derin devlet en houdt verband met allerhande complottheorieën. Afhankelijk van wie het zegt, verwijst diepe staat naar de ultranationalistische krachten (bij linkse Turken), naar antidemocratische krachten (bij liberale Turken) of naar seculier (bij islamistische Turken). Aangezien Erdogans AK-partij de islam nogal hoog heeft, verwijst diepe staat sinds afgelopen vrijdag vooral naar de seculiere krachten in de Turkse samenleving.

Het idee van de diepe staat gaat terug op primitieve complottheorieën en de gedachte dat het land, de wereld zelfs, in wezen bestuurd wordt door geheime genootschappen. Ook in het Westen zijn er wel eenvoudigen van geest die geloof hechten aan zo’n geheim lands- of wereldbestuur (denk aan de Bilderberg-groep of de illuminati).

Diepe staat is dezer dagen natuurlijk een interessante woordgroep in verband met de mislukte staatsgreep in Turkije, maar interessanter nog is dat de woordgroep de afgelopen maanden ook een paar keer op een andere manier gebruikt is. Zo was op Twitter de afgelopen uren behalve van de Turkse diepe staat ook sprake van een ‘Britse diepe staat’, een ‘Amerikaanse diepe staat’ en zelfs een ‘Syrische diepe staat’. Zou diepe staat misschien een soortnaam voor allerlei ‘geheime’ complottistengroepen worden?

pokémonnen

Als je op dit moment Pokémon intikt in de online-editie van de Dikke Van Dale, krijg je als suggestie beauceron en boekman. Natuurlijk wilt u meteen weten wat die woorden betekenen. Beauceron is een ras van herdershonden uit Midden-Frankrijk en boekman is een variant van boekenman: iemand die altijd met zijn neus in de boeken zit. Boekenmannen stonden vroeger niet al te best bekend, getuige het verouderde spreekwoord al te goed boekman, zelden een kloek man.

De massa vindt waarschijnlijk dat je je maar beter bezig kan houden met Pokémon. Of met Pokémon Go, een smartphonespelletje dat sinds een paar dagen de media beheerst. En dat de sedentair levende moderne mens binnen enkele dagen veranderd heeft in een jager. Een pokémonjager, want wie deelneemt aan Pokémon Go doet zijn best om in de ‘echte’ werkelijkheid virtuele poppetjes (Pokémons) te vangen.

In de media doen er inmiddels allerlei wilde verhalen de ronde over pokémonjagers. Zo zouden sommige pokéjagers als ware zombies op pokéjacht zijn, waardoor critici hen nu pokézombies noemen. Vandaag noemt een schrijver van een ingezonden brief de negatieve media-aandacht voor Pokémon go dan ook al pokémonie: het demoniseren van een onschuldig spelletje.

Pokémon Go levert nu dus al veel nieuwe woorden op. En een nieuw ‘prefix’: poké-.

Een van de woorden die in verband met Pokémon Go de laatste dagen geregeld te horen is, is níét nieuw: pokémonnen. Toen het spelletje Pokémon eind jaren negentig in Europa werd uitgebracht, ontstond al snel het werkwoord pokémonnen. ‘Wat zit je te doen, jongen?’ ‘Ik ben aan het pokémonnen, pap.’ ‘Maar dan haal je nooit je diploma, jongen.’

In de aangehaalde dialoog spellen we pokémonnen met een accentteken, maar geregeld werd dat accentteken vroeger weggelaten. Daar lijkt de laatste dagen – sinds de Pokémon Go-hype begon – verandering in te zijn gekomen. Zelfs op Twitter en Facebook treffen we de spelling pokémonnen aan.

De hamvraag waar veel pokémonners mee worstelen is natuurlijk of pokémonnen een serieuze kandidaat is voor vermelding in de Dikke Van Dale. Immers, pas als je werkwoord in het woordenboek staat, heeft wat je doet ook echt wat te betekenen.

Pokémonnen kan in het woordenboek vermeld worden, op voorwaarde dat het werkwoord courant is. Raakt het werkwoord nu of in de toekomst volledig ingeburgerd, dan is pokémonnen een woord dat prima past in het rijtje ganzenborden, klaverjassen, monopolyen, risken en rummikuppen. Dat pokémonnen van een merknaam is afgeleid, hoeft vermelding van het werkwoord niet in de weg te staan. Ook monopoly (waarvan monopolyen afgeleid is), risk (waarvan risken is afgeleid), scrabble (waarvan scrabbelen is afgeleid) en rummikub (waarvan rummikuppen is afgeleid) zijn immers merknamen.

Vaak gaat er wel lange tijd overheen voor zo’n spelletjesnaam écht woordenboekwaardig is, maar de huidige hype met Pokémon Go is natuurlijk wel een mooi opkontje voor het werkwoord pokémonnen, dat overigens al jaren ‘in de wacht’ staat, samen met tal van andere spelletjeswerkwoorden – variërend van mahjongen, mens-erger-je-nieten en strategoën tot world of warcraften – die soms net niet en soms nog helemaal niet behoren tot het bezonken talige erfgoed.

brexitschade

Het zal nog wel even duren voor het Verenigd Koninkrijk écht uit de EU vertrokken is. Zolang dat niet het geval is, is de Brexit nog geen geschiedenis en zullen er vermoedelijk nog geregeld nieuwe woorden ontstaan en ingeburgerd raken die verband houden met het Britse EU-vertrek. Zoals brexitschade. Vlak voor het referendum ontstond dat woord als naam voor de economisch schade ten gevolge van de onzekerheid die was ontstaan door het organiseren van het referendum over het Britse EU-lidmaatschap.

Inmiddels kennen we de uitslag van het referendum en heeft brexitschade een andere betekenis gekregen: (economische) schade die het gevolg is het gevolg is van het (ophanden zijnde) vertrek van het Verenigd Koninkrijk uit de EU.

Zo snel kan het gaan: betekenisverandering.

Brexitschade zal voorlopig wel een blijvertje zijn in de media. Gisteren dook het woord bijvoorbeeld op in de berichtgeving over de Italiaanse banken: die zuchten onder dalende beurskoersen die het gevolg zijn van de uitkomst van het EU-referendum in Groot-Brittannië. En onder het risico van besmetting. Want na de brexit gist en borrelt het overal in de EU, ook in Italië: je zou dit aspect van de brexitschade kunnen definiëren als: schade als gevolg van de precedentwerking van de brexit. Daarom heeft het woord brexitschade niet alleen een economische, maar ook een politieke component.

Kortom, als we brexitschade summier willen definiëren, kunnen we stellen dat het woord ‘schade als gevolg van de brexit’ betekent. Zo’n definitie is echter nauwelijks informatief. Het is dan ook een woord dat een meer specifieke definitie vereist. Maar wat de precieze strekking van het woord is, en of het vooral een politieke, een economische of een sociaaleconomische term is, zullen we pas over enige jaren weten.

plukplan

‘Afschuw over plukplan’, kopt De Telegraaf vanochtend. Plukplan is zo’n typisch Telegraaf-woord ter uitdrukking van de verontwaardiging die de Krant van Wakker Nederland onder de bevolking gepeild heeft. Plukplan is kort, allitereert lekker en berust op de doorzichtige en alom bekende metafoor plukken ter aanduiding van geld afpakken. Het enige dat afdoet aan de kwaliteit van het woord is de voorspelbaarheid ervan. Plukplan mag journalistiek gezien een goed gekozen woord zijn, het is tegelijkertijd niet meer dan een gelegenheidswoord. Daarom is het lexicografisch niet zo interessant.

Interessanter is misschien wel het woord waarmee Geert Wilders reageerde op het plukplan. Hij noemde het ouderenhaat. Daarmee bedoelde hij natuurlijk niet dat het plan zelf ouderenhaat is, maar dat het symbool staat voor de vermeende ouderenhaat van de ambtenaren die het plan bedacht hebben. Het woord beschrijft niets, nee, het verwoordt het beeld dat sommige ouderen van de bureaucratie en de overheid hebben.

Is daar een grond voor? Haten ambtenaren, bureaucraten en andere overheidsdienaren ouderen dan?

Nee. Haat in ouderenhaat is puur hyperbolisch gebruikt. Het staat niet voor het gevoel van diepe afkeer dat het woord haat normaliter tot uitdrukking brengt. Want ambtenaren handelen niet vanuit hun gevoel, dat weet Geert ook wel, maar vanuit de wet, het recht en het maatschappelijk draagvlak. Het woord ouderenhaat geeft dus een emotionele lading aan het niet-emotionele handelen van de ambtenaar.

Dat is politiek. Maar het is ook een trend in onze taal. Eenzelfde emotionele lading krijgen bijvoorbeeld ook andere thema’s in het maatschappelijk debat die daardoor niet meer in hun historisch-culturele of literaire context (bv. monsieur Cannibale in de Efteling) kunnen worden beoordeeld, maar louter vanuit synchroon-emotioneel perspectief worden bekritiseerd. Door thema’s alleen nog maar te benoemen met emotiebeladen woorden worden koele, redelijke discussies met rationele argumenten in feite onmogelijk gemaakt.

Het woord ouderenhaat staat niet op zichzelf. Iets wat ongunstig uitpakt voor een groep, wordt al snel in termen van haat beschreven. Zo wordt het benoemen van de nadelen van de komst van veel vreemdelingen al snel vreemdelingenhaat genoemd, heet het inruilen van de studiefinanciering voor een studielening zomaar studentenhaat en wordt het opkomen voor vrouwenrechten nog altijd mannenhaat genoemd. Het zijn allemaal hyperbolische samenstellingen met haat waar de lexicograaf niet zoveel mee kan, maar waar de socioloog of massapsycholoog misschien wel zijn zegje over zou moeten doen.

kluwenproblematiek

De soms magere kwaliteit van de Nederlandse verzorgingshuizen staat deze week op de politieke en dus ook de journalistieke agenda en in verband daarmee dook gisteren in Trouw een mooi woord op: kluwenproblematiek. Mensen komen alleen nog maar het verzorgingshuis binnen als ze een complex van gezondheidsproblemen hebben, vaak in combinatie met alzheimer of dementie. Kluwenproblematiek, zo noemt een verpleegkundige die in de krant aan het woord komt dit fenomeen.

Het woord maakt zo zijn entree in de media, maar op internet is het – als vakterm – ook al een of twee keer in oudere teksten te vinden. Of oudere teksten? Teksten uit 2015. Zo staat in een publicatie van de Hogeschool van Amsterdam over hulpverleners hoe zij kunnen omgaan met ‘kluwenproblematiek, dat wil meestal zeggen een combinatie van psychosociale, materiële, fysieke problemen, die vaak gepaard gaat met psychiatrische problemen.’

Kluwenproblatiek hangt samen met het woord kluwenprobleem, dat een wat breder betekenisprofiel lijkt te hebben. In een publicatie over verslaafdentherapie wordt verteld over ‘verslaafden met kluwenproblemen op veel gebieden’ die ‘verkeren in een maatschappelijk isolement.’

Kluwenprobleem is een iets gewoner woord dan kluwenproblematiek, maar algemeen gangbaar is ook dit woord niet. Beide woorden zijn typische vaktermen, in dit geval jargonwoorden uit de zorg. Ze zijn wel duidelijk in opkomst. Daarom is het zaak ze in het vizier te houden.

Veel gewoner dan kluwenprobleem is de samenstelling probleemkluwen, die overigens ook (nog) niet in de Dikke Van Dale te vinden is. Dat woord is al meer dan 50 jaar in omloop ter aanduiding van een complex probleem, maar blijkbaar is het al die tijd onder de lexicografische radar gebleven.