usutuvirus

Vorige week maakten virusonderzoekers bekend dat het usutuvirus is opgedoken in Nederland. Het usutuvirus veroorzaakt de zogeheten merelziekte, waarbij merels (en soms ook andere zangvogels) ernstig verzwakt raken en er binnen enkele dagen mottig uitzien. Veel merels overleven usutu niet, maar de vogels die dat wel doen, ontwikkelen er een zekere resistentie voor, die ze doorgeven aan hun nageslacht. Ook uilen, bepaald geen zangvogels, lijken vatbaar te zijn voor het usutuvirus, en omdat usutu een zoönose is die door muggen wordt verspreid, kunnen zelfs mensen erdoor getroffen worden. Gezonde mensen hebben er niet veel last van, maar mensen die al ziek, zwak of misselijk waren, kunnen er ziek van worden. Vandaag schrijft behalve Trouw overigens ook De Standaard over het usutuvirus. Het virus is namelijk ook in België aangetroffen onder de merelpopulatie.

Usutu en usutuvirus zijn van die woorden waarvan je als woordenboekmaker meteen weet dat ze serieuze kandidaten voor het woordenboek zijn nu de ziekte en het virus waarnaar ze verwijzen in ons taalgebied aangetroffen zijn. De woorden zelf zijn niet helemaal nieuw in onze taal. In 2011 figureerden ze al eens in de media, toen het virus in Duitsland opdook en daar veel merels hun hachje kostte.

Het usutuvirus was onder virologen echter al wat langer bekend. Het werd voor het eerst in 1959 in zuidelijk Afrika aangetroffen, in de omgeving van de Usutu, een rivier in Swaziland die vooral bekendstaat onder zijn koloniale naam Rio Maputo (Maputorivier). De rivier ontspringt overigens in de Zuid-Afrikaanse stad Amsterdam, in het Mpumalanga-district, dat vroeger bekendstond als Oost-Transvaal.

usutu-rivier

In de laatste lettergrepen van Usutu is de naam van de Sotho herkenbaar, een Bantoevolk van wie de nazaten nog in Lesotho, Botswana en Zuid-Afrika wonen, maar die oorspronkelijk ook in de nabijheid van de de genoemde rivier leefden. Usutu zou in het Sotho (de Bantoetaal van de Sotho) donkerbruin betekend hebben, en de Usutu-rivier zou zijn naam dan ook te danken hebben aan het modderige water dat er in stroomt.

Terug naar het virus: het usutuvirus is een zogeheten flavivirus (afgeleid van Latijns flavus, geel). Het behoort tot een familie virussen die de laatste tijd wel vaker van zich heeft doen spreken: zo bleek het zikavirus, dat in Zuid-Amerika onder de menselijke populatie huishoudt, een flavivirus te zijn, en eerder lazen we al dat ook knokkelkoorts, westnijlkoorts en gele koorts door een flavivirus worden veroorzaakt.

begrotingspopulisme

Het is jaren geleden dat we op de dag na Prinsjesdag in de kranten lazen dat de begroting voor het volgende jaar een feestbegroting is, maar vandaag staat dat woord toch echt in de krant (Trouw). Als je er wat dieper induikt, valt het eigenlijk wel mee met dat feestelijke karakter van de begroting, want in feite wordt drie vijfde van ’s lands financiën besteed aan zaken die economisch gezien feitelijk niet veel opleveren. Nou ja, zorg en sociale zekerheid leveren natuurlijk wel een zekere welvaartsillusie op.

miljoenennota-2016 miljoenennota-2017

Vergelijk je de begroting van 2017 met die van 2016, dan zie je meteen dat er aan de beleidsterreinen die er écht toe doen voor de toekomst – onderwijs, cultuur en wetenschap alsmede infrastructuur (we willen immers een exportland blijven – in 2017 zelfs mínder wordt uitgegeven dan in 2016. Werd in 2016 nog 34 miljard vrijgemaakt voor OC&W, in 2017 is dat nog maar 33,8 miljard. En werd in 2016 nog 8,1 miljard voor infrastructuur begroot, in 2017 is dat teruggebracht tot 8 miljard.

Dat er zoveel geld vrijgemaakt wordt aan herverdeling, die de burgers als meevallertjes ervaren, maakte dat een radiocommentator gisteren de regering verweet zich te bezondigen aan begrotingspopulisme.

Populisme is niet een heel populair tweede deel in samenstellingen. Verkiezingspopulisme kennen we en rechts-populisme staat zelfs in de Dikke Van Dale, maar begrotingspopulisme is betrekkelijk nieuw. We troffen in het 2012 al eens aan in de Volkskrant en een jaar of tien daarvoor figureerde het woord al eens in de Belgische krant de Standaard.

Wat wordt ermee bedoeld?

Begrotingspopulisme is een vorm van populisme waarbij een kabinet extraatjes aan het volk uitdeelt om de kiezersgunst te winnen. Het woord is nog lang niet ingeburgerd, maar omdat het populisme van links tot rechts hoogtij viert in de Nederlandse politiek, kan het zomaar een woord met toekomst zijn.

Ook populisme zelf is een woord dat we de komende tijd in de gaten moeten houden. Dat zou zelfs weleens productief kunnen worden als tweede lid van (nieuwe) samenstellingen.

krokodel

Op snackgebied zal 2016 later vast en zeker herinnerd worden als het jaar waarin de krokodel het levenslicht aanschouwde. Die krokodel is een kroket die gevuld is met frikandelragout (volgens Het Parool) of een kroket met stukjes frikandel in de ragout (volgens BN/DeStem). Hoe dan ook, dit recept verklaart meteen de naam van de snack, want het woord krokodel is een porte-manteauwoord van kroket en frikandel. Mét een ingevoegde o, moeten we daarbij zeggen, want geen van de twee woorden waaruit krokodel is samengesteld bevat een tussen-o die de tweede o in krokodel zou kunnen verklaren. Niet dat de krokodel iets wegheeft van de kroko, de informele verkorting van krokodil, want het ding is niet groen en het bijt niet. Nou ja, misschien in de maag.

Het woord krokodel maakte vorige week dinsdag zijn opwachting in de media, maar de snack werd pas afgelopen vrijdag voor het eerst geserveerd. Tijdens een borrel waarbij nog meer ‘frikandelgerechten’ werden gepresenteerd dan de frikandelkroket die we nu kennen als de krokodel.

Dat de media aandacht besteed hebben aan de krokodel, komt waarschijnlijk niet door het recept, maar door de naam. Als de snack prozaïsch was gepresenteerd als frikandelkroket, zou er geen journalist in geïnteresseerd zijn geweest. Juist door een naam te bedenken die nieuwsgierig maakt – Is het een kroko? Is het een del? – kun je de aandacht van de media op zo’n woord vestigen. De woordspeligheid, die kenmerkend is voor het woord krokodel, heeft er dan ook zeker aan bijgedragen dat talloze media de afgelopen dagen over de snack hebben geschreven. Vrijwel al die berichten gingen vooral over de naam, maar hoe de snack smaakt, dat weten we nog steeds niet.

tuigbesteuning

Arjen Lubach had het in Zondag met Lubach over de treitervloggende hangjongeren in de Zaanse wijk Poelenburg die ervoor gezorgd hebben dat de media het al een week over bijna niets anders meer hebben dan over de segregatie van zogenaamd kansloze jongeren. Wat kun je er aan doen, vraagt Lubach zich af. Buurthuis werkt niet, buurttuin werkt niet. Misschien dan maar die oplossing van de uitzendondernemer die bereid bleek te zijn de treitervloggers te helpen hun leven weer op de rails te krijgen door hen een stageplek aan te bieden?

Lubach zag dat helemaal niet zitten, want die oplossing brengt een foute boodschap over: ‘Als je een stageplaats wilt, trap dan eens iemand van zijn fiets.’ Lubach had zelfs een nieuw woord voor die belonende aanpak van criminaliteit bedacht: tuigbesteuning.

Tuigbesteuning is het resultaat van het dooreenhusselen van de delen van het woord steunbetuiging en moet zoiets betekenen als ‘het steunen van tuig’. Als serieus woord is tuigbesteuning niet zo kansrijk (tuigsteun ligt meer voor de hand), maar het is dan ook geen serieus woord, maar een woordgrap.

Klankuitwisseling noemde Battus dit type nieuwvormingen. Ze komen tot stand door het verplaatsen en verwisselen van de klinker-medeklinkercombinaties in een geleed woord. Een van de bekendste voorbeelden van klankuitwisseling is beuke(n)nootje -> neukebootje. Een ander voorbeeld is geen stijl -> steengeil. Ook woordgroepen kunnen ten prooi vallen aan dit type taalgrap. Zo wordt de uitdrukking met vereende krachten door klankuitwisseling met verkrachte eenden./p>

Soms ontstaan zulke klankuitwisselingen per ongeluk. Mensen die wat te veel gedronken hebben, hebben er nogal een handje van zulke klankuitwisselingen te produceren: tussen licht en donker wordt dan tussen dicht en lonker; een blokje rond rijden wordt een rokje blond rijden; met de staart tussen de benen wordt met de baard tussen de stenen en mijn neus jeukt wordt mijn jeus, nou vult u maar aan.

Zulke klankuitwisselingen worden ook wel spoonerismen genoemd. Van Dale omschrijft die term als een ‘verspreking door verwisseling van klanken van verschillende woorden, bv. ‘een blaasje gier’ i.p.v. ‘een glaasje bier’. Het woord spoonerisme is overigens ontleend aan de naam van de Engelse predikant William Archibald Spooner (1844–1930), die zich in zijn preken vaak moet hebben versproken.

smartphonista

Veel aankopen van modeartikelen vinden online plaats. Overdag wordt vooral mode gekocht via de pc, terwijl ’s avonds de meeste modeaankopen met behulp van een tablet tot stand komen. Tot zover niets verrassends. Deze week bleek echter dat ongeveer een kwart van de Nederlandse vrouwen ook weleens kleding koopt via hun smartphone. Vooral kledingstukken met een ‘laag risico’, zoals T-shirts, wordt vaak met behulp van de smartphone gekocht. Meestal vinden die aankopen ’s ochtends plaats, dus vóórdat men als kenniswerker plaatsneemt achter de pc.

Voor de vrouwen die met hun smartphone modeartikelen kopen, werd deze week het woord smartphonista geïntroduceerd. Dit van oorsprong Engelse woord is een porte-manteauwoord van smartphone en fashionista, waarbij dient te worden aangetekend dat het Engels het woord fashionista gevormd heeft door fashion (mode) te combineren met het Spaanse achtervoegsel –ista, zoals dat bekend geworden is dankzij exoitsche woorden als sandinista (sandinist) en unionista (unionist).

Het is niet de eerste keer dat op basis van fashionista een porte-manteauwoord wordt bedacht. Tijdens de recessie waren er bijvoorbeeld opeens recessionista’s, een woord dat waarschijnlijk in het Engels gevormd is door recession te combineren met fashionista, al is het in theorie ook mogelijk dat recessionista rechtstreeks geïnspireerd is op het Spaans, door recesión te combineren met het achtervoegsel –ista.

Smartphonista is in het Engels al tamelijk gewoon, maar in het Nederlands zal het woord zijn weg nog moeten zien te vinden. Maar gezien de almaar toenemende populariteit van de smartphone zou het woord best ingeburgerd kunnen raken.

schurkenturken

In het Turkije-debat afgelopen dinsdag typeerde Geert Wilders de Turkse jongeren die de Zaanse wijk Poelenburg onveilig maken en hun eigen snode activiteiten vastleggen in vlogs, die ze vervolgens op internet zetten als schurkenturken. Als enige landelijke krant citeerde de Volkskrant gisteren Wilders’ typering alsmede de verklaring die de PVV-politicus gaf voor het onaangepaste gedrag van de betrokkenen: de directe invloed van de Turkse overheid in Nederland. Die invloed heeft volgens Wilders geleid tot ‘schurkenturken die in Rotterdam samenkomen ‘in een zee van Turkse vlaggen’ en in Zaandam ‘mensen van hun fiets trekken’.’

Schurkenturken is de zoveelste samenstelling met Turk die dit jaar gangbaar geworden is. Onder meer klikturk, erdoturk, dreigturk, pleuropturk gingen de schurkenturken voor. Het zijn allemaal weinig verheffende woorden, die niet alleen het gevolg zijn van een mislukte integratie van Turkse Nederlanders in de Nederlandse samenleving, maar die een toekomstige integratie er niet gemakkelijker op zullen maken.

In de sociale media wordt nogal geërgerd gereageerd op Wilders woord schurkenturken, maar de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat het woord hoog scoort op de woordsuccesfactoren woordritme, assonantie en transparantie. Het enige nadeel van schurkenturken is dat je het eigenlijk niet in het enkelvoud kunt gebruiken.

Is Wilders de bedenker van schurkenturken? Misschien, maar hij is niet de eerste gebruiker ervan. Al in augustus figureerde het woord – weliswaar met een spatie tussen schurken een turken – in een bericht van een Belgische twitteraar. Ook de variant schurkturk, waarvan de samenstellende delen wel assoneren maar die als geheel geen prettig ritme heeft, is al eerder aangetroffen, eveneens in berichten van Belgische twitteraars. De kans is klein dat Wilders het woord schurkenturken aan andermans tweets ontleend heeft en daarom zal hij waarschijnlijk toch als de geestelijke vader van dit onaangename woord de geschiedenis in gaan.

jihadofeminisme

‘Frankrijk maakt kennis met jihado-feminisme’, kopte het Nederlands Dagblad gisteren. Het woord maakte een dag eerder al in de Volkskrant zijn debuut en figureerde ook in die krant in een bericht over de mislukte aanslagen met gasflessen in Parijs. Achter die mislukte aanslagen ging namelijk een geheel uit vrouwen bestaand terroristisch commando schuil, dat gelukkig vorige week werd opgerold.

Jihadofeminisme (zonder streepje!) mag een nieuw woord zijn, het concept is bepaald niet nieuw. Al in 2007 schreef de Volkskrant over wat toen nog jihadi-feminisme werd genoemd: ‘Opvallend is de groei van het ‘jihadi-feminisme’. ‘ (VK, 3-10-2007).

Zowel jihadi (in jihadifeminisme) als jihado (in jihadofeminisme) vervangt het bijvoeglijk naamwoord jihadistisch, want dat is natuurlijk wat jihadifeminisme en jihadofeminisme allebei betekenen: jihadistisch feminisme. Of beter gezegd: jihadistische terreur uitgevoerd door vrouwen.

Jihadifeminisme is een meer voor de hand liggende vorm dan jihadofeminisme. Jihadi kennen we ‘los’ immers ook ter aanduiding van een jihadist. Bovendien zijn we min of meer vertrouwd met het aan het Engels ontleende ‘voorvoegsel’ jihadi dankzij bijnamen als “Jihadi John”. Een enkele keer wordt jihadi trouwens geherinterpreteerd als meervoud van misschien wel jihado. Dat zou de aanwezigheid van jihado in jihadofeminisme kunnen verklaren.

Jihado klinkt ook wat exotischer, wat Spaanser (yihado guerra santa = heilige jihad)) of Italiaanser (jihado guerra santa). Door zo’n exotische naam kan het exotische, d.w.z. vreemde karakter van wat het woord benoemt worden benadrukt. Het kan echter ook zijn dat journalisten jihadistisch feminisme liever geen jihadfeminisme noemen omdat hierin het woord haat doorklinkt. Jihadofeminisme is dan een neutraler alternatief.

De haramme hamvraag is natuurlijk of jihado een productief voorvoegsel kan worden in onze taal. Wie weet, maar pas als we woorden als jihadomarxisme, jihadoterreur en jihadomachismo ook normaal vinden, kunnen we vaststellen dat jihado inderdaad ingang in onze taal heeft gevonden.

hoodvlog

Trouw schrijft vandaag, zoals elke andere Nederlandse krant, over de Zaanse toestanden in de eh Zaanse wijk Poelenburg. Daar is het een puinhoop geworden doordat de gemeente asociaal, dreigend en intimiderend gedrag van een groep jonge Turken (‘Erdoganstrijders’) te lang heeft getolereerd. Dat weten we omdat een van hen dat zelf toont in filmpjes (vlogs) die op internet worden gepubliceerd.

Hoodvlogs worden die filmpjes genoemd, een woord ontleend aan het Engels, waarin hood een verkorting is van neighbourhood (buurt, wijk) en specifiek verwijst naar achterstandswijken met veel criminaliteit. Wijkvlogs dus, buurtvlogs of desnoods achterbuurtvlogs, want waarom zouden we een Engels woord omarmen als we zelf al een woord voor het fenomeen hebben?

Interessanter dan het woord hoodvlog is de ontwikkeling die het woord Turk de laatste tijd doormaakt. Kijk bijvoorbeeld eens naar de eerste alinea van dit stukje. Viel u eigenlijk niet over de formulering ‘een groep jonge Turken (‘Erdoganstrijders’)’ hierboven?

Sinds de coup in Turkije duidelijk heeft gemaakt dat veel Nederturken niet Nederland maar Turkije als hún vaderland beschouwen, hebben we naast Nederturken oftewel Turkse Nederlanders/Nederlandse Turken er een nieuwe groep bij: Turken in Nederland. Zo noemde premier Rutte in het programma Zomergasten mensen met de Nederlandse nationaliteit die in Nederland wonen, maar ook nog een Turks paspoort hebben en die er na de mislukte coup in Turkije blijk van gaven zich meer verbonden te voelen met Turkije dan met Nederland en die dus in feite niet geïntegreerd zijn in, laat staan zich hebben geassimileerd aan hun nieuwe vaderland.

De introductie van de term Turken in Nederland heeft weinig weerstand opgeroepen. Sterker nog: in de mediaberichtgeving over de problemen in de wijk Poelenburg worden de rottige hangjongeren die daar wonen geregeld geen Turkse Nederlanders genoemd, maar Turken tout court. We lijken dan ook niet te maken te hebben met een etnisch probleem (een probleem met etnisch Turkse jongeren), maar met een nationaliteitenprobleem.

Overigens blijkt ook de belangengroep voor Turkse Nederlanders de aanduiding Turken in Nederland te gebruiken in plaats van Turkse Nederlanders o.i.d. Die belangengroep heet immers niet de Raad voor Turkse Nederlanders, maar de ‘Raad voor Turken in Nederland’ (HTK). Misschien wist die raad al langer dat veel Nederturken in feite Turken in Nederland zijn.

selfielinks

In de strijd om de kiezersgunst bij de Tweede Kamerverkiezingen 2017 hebben we er weer een nieuw woord bij: selfielinks. Het debuteerde afgelopen zaterdag in NRC Handelsblad, dat het woord de betekenis ‘alleen links als het je zelf uit komt’ meegaf.

Hoe moeten we dat opvatten?

Intuïtief denk je bij selfielinks al snel aan een ‘linkse pose’ in bepaalde beleidskwesties. Je neemt als linksmens als het ware positie in ten opzichte van – pak ‘m beet – de zorg of het onderwijs doet ten aanzien daarvan een ‘linkse’ uitspraak en zorgt er tegelijkertijd voor dat die uitspraak wordt opgemerkt.

NRC Handelsblad typeert dit als teyper ‘de nieuwe politiek’: ‘Links uit eigenbelang. Zelfhulplinks. Selfielinks.’ Het is een type linkse politiek die haaks staat op het oude vertrouwde, zogeheten klassieke links, waarbij je over de volle breedte – en dus niet slechts op enkele beleidsterreinen – een socialistisch ideaal nastreeft.

Selfielinks mag dan een nieuw woord zijn, het is vooral ook een modieus woord. En niet eens zo’n geslaagd modieus woord. Wat bedoeld wordt is dat de hedendaagse politici nogal eclectisch zijn in hun politieke keuzes en voorkeuren – soms links, soms rechts – en dat ze met die keuzes en voorkeuren goede sier maken bij hun ‘volgers’. ‘Geposeerd links’, zouden we vroeger zeggen. En waarom zou we dat eigenlijk ook in de toekomst niet zeggen in plaats van dat woord selfielinks, dat immers nogal wat uitleg behoeft.

treitervlog

De Telegraaf schrijft vandaag over Zaanse jongeren die niet alleen overlast veroorzaken, maar daar ook geld mee verdienen door middel van treitervlogs. Enige jongeren maken bijvoorbeeld de politie het leven zuur, terwijl een vlogger daar een video-opname (een zogeheten videolog oftewel een vlog) van maakt. Dat filmpje wordt vervolgens op het internet gezet, waar het talloze, lees honderdduizenden keren wordt bekeken. De reclame-inkomsten van de treitervlogger bedragen naar schatting duizenden euro’s. Daar komt binnenkort vast nog wat bij, want gisteren kregen de ‘spelers’ in de treitervlogs een podium bij Jeroen Pauw, waar ze mochten komen uitleggen wat hen drijft. Daar zullen we het verder maar niet over hebben.

Waar we het wel over willen hebben, is het woord treitervlog zelf, dat dankzij De Telegraaf vandaag in onze taal debuteert. Het woord is om verschillende redenen interessant. In de eerste plaats omdat het type filmpjes dat nu als treitervlogs wordt getypeerd, al wel wat langer bestond, terwijl er nog geen naam voor was. In de tweede plaats omdat vlog (in tegenstelling tot bijvoorbeeld blog) tot nu toe niet zo productief is als tweede deel van samenstellingen. Modevlog, nieuwsvlog, buurtvlog – dan heb je het zo ongeveer wel gehad. En tot nu was er al helemaal geen samenstelling met vlog op basis van een werkwoord, zoals treitervlog wél is.

Het woord treitervlog heeft ook een fijn ritme en het is bovendien een transparant woord, een woord waarvan de betekenis dus vrijwel meteen duidelijk is. Zodra je het ziet, snap je dat het om vlogs gaat waarin anderen het leven zuur gemaakt worden ofwel om vlogs die bedoeld zijn om anderen het leven zuur te maken. Omdat treitervlog ook nog eens een ‘genre’ in opkomst aanduidt, zou het woord dus zomaar een begrip kunnen worden.