poezelaar

geplaatst in: Woord van de dag | 0

We stonden op het punt om rijtjeskasteel, volgens Trouw vandaag de moderne variant van rijtjeshuis, uit te roepen tot Woord van de Dag, toen op Twitter vanochtend het woord poezelaar door niemand minder dan Sheila Sitalsing werd genomineerd als Woord van het Jaar. Meteen waren we geïntrigeerd. Gisteren hadden we namelijk al poezenmuts (vertaling van pussy hat) gesignaleerd en zonder de context van poezelaar te kennen, veronderstelden we dat dit woord iets met demonstranten met poezenmutsen op (denk aan de pussy protests tegen Trump) te maken had.

Niet dus. Het woord poezelaar bleek te verwijzen naar de jurist en filosoof en FvD-lijstduwer Paul Cliteur. Die had afgelopen maandagavond deelgenomen aan een islamdebat in de Balie en toen gezegd ‘een beetje een poezelaar’ te zijn, omdat hij niet meteen al te drastische maatregelen tegen de islam zou willen nemen.

Poezelaar dus. Hadden we dat woord al eens eerder gehoord?

Niet echt. We herinnerden ons weliswaar juffrouw Poezelaar uit een boek van Multatuli en in thuistaal wordt poezelaar soms gebruikt als koosnaam voor poezen, maar verder was het woord poezelaar ons tot nu toe onbekend. Ook hedendaagse woordenboeken kennen het woord niet.

Afgaande op de vorm van het woord zou poezelaar weleens een afleiding kunnen zijn van een werkwoord poezelen. Dat is echter niet in de Dikke Van Dale te vinden. Het historische Woordenboek der Nederlandsche taal vermeldt poezelen daarentegen wel, als een regionale singulariteit met de betekenis ‘morsen’. In oostelijke delen van ons land, zo schrijft datzelfde woordenboek, moet poezelen (vroeger?) ook slordig te werk gaan hebben betekend. In die betekenis zou poezelen ontleend kunnen zijn aan het Duitse woord pusseln, dat onder meer ‘peuteren’ betekent.

Daar komen we echter geen steek verder mee: de kans is uitermate klein dat Cliteur met de uitspraak ‘ik ben een poezelaar’ wilde zeggen dat hij een morsig mens is of iemand die slordig te werk gaat.

Maar wat bedoelde hij dan wel?

In een oude krant, de Nieuwe provinciale Groninger courant van 26 augustus 1941, vonden we een artikel over een kraamkliniek, waar een zuigeling ‘zoo zich zoo echt behaaglijk [heeft] laten poezelen’. In De Tijd van 24 oktober 1966 troffen we voorts een artikel aan over het paard: ‘Nooit wordt het een doetje. Het is geen dier om te “poezelen”. Het houdt daar niet van.’ En in het Limburgs Dagblad van 28 december 1972 werd over een man gezegd: ‘Wat heeft die Piet een zachte hand. Ben je ook zo gepoezeld en geaaid?’

Poezelen lijkt in deze contexten een onbekend synoniem te zijn van knuffelen en houdt dus waarschijnlijk verband met de woorden poezel en poezelig, die ‘zacht (en mollig)’ betekenen in contexten als ‘haar poezele handjes’, ‘haar poezele boezem’. Als poezelaar afgeleid is van dit werkwoord poezelen, is een poezelaar letterlijk iemand die knuffelt en figuurlijk iemand die zich zacht gedraagt, mild opstelt.

Gezien de context waarin Cliteur zich als poezelaar presenteert, ligt het voor dat hand dat hij daarmee inderdaad verwijst naar zijn – in zijn ogen – kennelijk milde opstelling ten aanzien van de islam. We zijn nu natuurlijk wel benieuwd of poezelaar, dat op zichzelf een aantrekkelijk woord is, ingeburgerd zal raken.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.