kakapipikapitalisme

kakapipikapitalisme

geplaatst in: Woord van de dag | 0

‘Het kakapipikapitalisme vraagt verschoning’, kopte de Belgische krant De Morgen afgelopen weekend. Het is een mooie dubbelzinnige kop, want kaka en pipi betekenen in kindertaal respectievelijk poep en plas en verschoning kan zowel ‘het vervangen van de luiers’ als ‘verontschuldiging’ betekenen.

Kaka is een vooral in België populair woord voor poep. Het is ontleend aan het Franse woord caca, dat terug te voeren is op het Latijnse woord cacare, waar bijvoorbeeld ook kakken op teruggaat. Pipi heeft eveneens Romaanse roots, want pipi gaat via het gelijknamige Franse woord voor plasje terug op het vulgair Latijnse woord pissiare.

Wat is kakapipikapitalisme? Het woord heeft te maken met het kakapipidebat dat momenteel in België wordt gevoerd: het debat over de kosten die in het (Belgische) onderwijs gemaakt moeten worden voor het zindelijk maken van kleuters: ‘In een context van reeds overvolle kleuterklasjes moeten overwerkte juffen en meesters zich [namelijk] meer en meer bezighouden met zindelijkheidstraining en het voortdurend verversen van luiers.’

Belgische kinderen blijken sinds de jaren zestig namelijk op steeds latere leeftijd zindelijk te worden. Daardoor komt de zindelijkheidstraining steeds vaker ‘op de schouders van de leerkrachten’ in het kleuteronderwijs te liggen – ‘soms letterlijk met rugklachten als gevolg’. De vraag – en daar gaat het woord kakapipikapitalisme uiteindelijk over – is wie de (maatschappelijke) kosten van de onzindelijkheid van kleuters moet dragen.

De Morgen betoogt dat niet de ouders verantwoordelijk zijn voor de onzindelijkheid hunner kroost, maar dat het allemaal de schuld is van het kapitalisme, het ‘neoliberale besparingskapitalisme’ om precies te zijn: ‘De toenemende flexibilisering en verhoging van de werkdruk leiden logischerwijze tot een verlies aan tijd en kwaliteitsvol samenzijn die ouders met hun kinderen doorbrengen, wat de materiële basis vormt voor een degelijke zindelijkheidstraining.’ De Morgen noemt het kakapipidebat daarom ‘ietwat onnozel´ en vindt dat beter ´een essentiële discussie over besparingskapitalisme en sociaal-economische vrouwenrechten´ kan worden gevoerd.

Dus eh, is kakapipikapitalisme een ‘vies woord voor’ het ‘neoliberale besparingskapitalisme? In dat geval is kakapipikapitalisme een dysfemisme – of in dit geval toepasselijker, een kakofemisme – dat wil zeggen een woord of uitdrukking waarmee een fenomeen, in dit geval het neoliberale besparingskapitalisme, in een extra negatief daglicht wordt geplaatst.

Laat een reactie achter