stigma

stigma

geplaatst in: Actueel, Etymologie | 0

Hoeveel mensen weten nog dat de donderdag voor Goede Vrijdag van oudsher Witte Donderdag heet? De naam van deze dag hebben we te danken aan de oude rooms-katholieke traditie om op die dag (kruis)beelden te bedekken met een wit laken.

In deze lijdensweek komen we trouwens gemakkelijk in de verleiding ook ander nieuws met het passieverhaal te associëren. Zoals de kop ‘Vrouw wil vagina-museum openen in Londen: ‘Geen ander deel zo gestigmatiseerd’, die gisteren in het Algemeen Dagblad stond. In die context betekent stigmatiseren een slechte reputatie bezorgen. Met deze ongunstige strekking is stigmatiseren afgeleid van stigma in de betekenis brandmerk of schandvlek. In het Latijn, waaraan we stigma hebben ontleend, betekende dit woord specifiek brandmerk van een slaaf.

Stigmatiseren heeft daarnaast een andere betekenis met een wat gunstiger bijklank. Aan het einde van de 19de eeuw raakte het woord bekend als naam voor het verschijnsel dat iemand die zich erg inleeft in het passieverhaal rode vlekken krijgt op de plaats van de vijf kruiswonden van de gekruisigde Christus. Die betekenisuitbreiding was het gevolg van de toenemende bekendheid van de verhalen over de ‘stigmatisatie van Franciscus’. Volgens de 13de-eeuwse theoloog Bonaventura ontving Franciscus in 1224 op de berg La Verna bij Arezzo bij wijze van gunst de stigmata tijdens een gebed.

In deze betekenis grijpt stigmatiseren direct terug op de betekenis die stigma in het Grieks had: steekwond. Dat Griekse woord is trouwens afgeleid van het werkwoord stizein, dat niet alleen steken betekent, maar daar ook etymologisch mee verwant is.

(Dit artikel is een geactualiseerde versie van het artikel ‘Stigmatiseren van ouderen in de lijdensweek’, dat ik op 24 maart 2016 in de taalrubriek in het dagblad Trouw publiceerde.)

Laat een reactie achter