Etymologie: vaccin

Etymologie: vaccin

geplaatst in: Etymologie | 0

Woorden als vaccin en vaccinatie gebruiken we pas sinds de 19e eeuw. Net na 1800 verschenen in Nederlandse media berichten dat in Frankrijk werd geëxperimenteerd met een entstof tegen koepokken. Daarbij werden mensen ingeënt met een ‘vaccin’, een entstof tegen vaccine (het Franse woord voor koepokken). Het Nederlands nam vaccin, vaccine en – wat later – vaccineren over uit het Frans. In die taal was vaccine een verkorting van variole vaccine, een verfransing van de Neolatijnse medische vakterm variolæ vaccinæ, het geleerde woord voor koepokken. Letterlijk betekent vaccine niets meer of minder dan ‘van koeien’.

Aanvankelijk verwees ook ons werkwoord vaccineren alleen naar het inenten tegen koepokken. Pas vanaf 1950 werd de definitie uitgebreid en beschreef Van Dale vaccineren als ‘inenten tegen een bepaalde ziekte’. Zo kan het zijn dat kinderen tegenwoordig worden gevaccineerd tegen de bof, mazelen en rodehond (de beroemde BMR-prik), hoewel de gebruikte entstoffen niets met koeien, laat staan met koepokken te maken hebben.

Laat een reactie achter