trut

trut

geplaatst in: Actueel | 0

De rechtbank van Alkmaar behandelde gisteren een taalkundig gezien interessante zaak. Een Bergense kunstenaar had de (vrouwelijke) burgemeester van zijn woonplaats trut genoemd en bij een andere gelegenheid had hij hetzelfde woord gezegd tegen een agente. Was hier sprake van belediging?

NRC schrijft: ‘Voor de officier van justitie bestaat er geen twijfel over de beledigende bedoeling van „de misprijzende kwalificatie” van de burgemeester. En die intentie doet ertoe, dat blijkt zeker uit jurisprudentie.’

Die laatste zin van de officier van justitie is van eminent belang. Volgens de Dikke Van Dale heeft trut drie persoonsaanduidende betekenissen (allemaal min of meer ‘misprijzende kwalificaties’) en we weten in feite niet in welke van die betekenissen de kunstenaar het woord trut heeft gebruikt. Trut betekent in het Bargoens een ‘onbenullige vrouw’. Nu en dan wordt trut gebruikt voor een ‘vrouw die niet opschiet met haar werk’. In het algemeen betekent trut een ‘onaantrekkelijke, stijve of vervelende vrouw’.

In elk van deze betekenissen kun je het woord beschrijvend gebruiken (‘Wat was ik destijds een egoïstische, rancuneuze trut.’). Vooral in de laatstgenoemde betekenis is trut dan uitwisselbaar met woorden als muts, doos, tuthola, troela, en tuttebel. Trut wordt ook wel gebruikt ter aanduiding van een vrouw in ‘t algemeen. Dan is het woord geen ‘misprijzende kwalificatie’ an sich en kan het zelfs waarderend worden gebruikt. Kijk maar op internet: ‘Ik ben een handige trut. Ik vind het erg leuk om te handwerken, tekenen en knutselen.’, schrijft iemand. En trut wordt zelfs als koos- of troetelnaam gebruikt. Zo lezen we in een bouquetreeksboekje uit de Harlequin-reeks (nr. 2233-2235): ‘Hij boog naar haar voorover om haar wang te kussen. ‘Wat ben je toch een lekker trutje,’ fluisterde hij in haar oor.’ In de stuiversroman voelt de aangesprokene zich hierdoor kennelijk niet beledigd, want de volgende zin luidt: ‘Ze werd helemaal warm vanbinnen.’

Afhankelijk van de emoties waarmee het woord trut wordt uitgesproken, kan het wel degelijk als scheldwoord dienstdoen: ‘Stomme trut!’ ‘Jij stomme trut!’ In geschreven taal staat er dan meestal een uitroepteken achter.

In de zaak tegen de Bergense kunstenaar lijkt het niet om het woord trut zelf te gaan. De rechter zegt – als ik de NRC mag geloven – niets over dat specifieke woord. Hij zegt alleen iets over de intentie waarmee dat werd gebezigd: ‘Net als de officier is de rechter ervan overtuigd dat Baltus de bedoeling had te beledigen.’

Als de rechter niet het gebrúík van een specifiek woord – ongeacht of dat een ‘misprijzende kwalificatie’ behelst – veroordeeld heeft, maar alléén de beledigende intentie waarmee dat woord gebruikt is, maakt het in feite niet uit welk woord de kunstenaar heeft gezegd – een misprijzend woord of niet. Het gaat erom dat hij dat met ‘de bedoeling om te beledigen’ heeft gedaan. Had de kunstenaar dus met dezelfde consequenties een ánder woord (geit!, soepkip!) of een andere uitdrukking (zacht ei! domme gans!) tegen de burgemeester kunnen zeggen? Ja, als de rechtbank consequent is wel.

Jammer trouwens dat de kunstenaar dat niet heeft gedaan. Een zaak tegen de kunstenaar omdat hij de burgemeester Pannenkoek! of Berlinerbol! had genoemd, zou in elk geval leukere krantenkoppen hebben opgeleverd.

Laat een reactie achter