kleedkamerpraat(jes)

kleedkamerpraat(jes)

geplaatst in: Taalnieuws | 0

Ewoud Sanders schrijft vandaag in NRC in zijn altijd weer prettig leesbare taalrubriek over taalvernieuwing: ‘Het Nederlands heeft er sinds enkele dagen een nieuw woord bij: kleedkamerpraat. Het gaat om een vertaling van het Engelse locker room talk en de ontstaansgeschiedenis kan niemand zijn ontgaan. Volgens Donald Trump moet er niet te zwaar aan zijn opmerkingen over vrouwen worden getild, want het was slechts locker room talk.’ Daarmee wordt gedoeld op ‘grove, vulgaire, aanstootgevende en veelal seksuele praatjes die jongens uitwisselen, doorgaans in de kleedruimten van middelbare scholen’.

Strikt genomen klopt de opmerking niet dat kleedkamerpraat een nieuw woord is. Dat weet Sanders zelf ook: ‘Tussen 1960 en 1988 is het elf maal te vinden in Delpher, het grote digitale archief voor Nederlandse kranten, meestal in de betekenis ‘praatjes van voetballers over hun managers en bestuurders’.

In de verkleinvorm kleedkamerpraatje(s) is het woord echter wél veel ouder. Al in 1923 schrijft de Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant dat theatermensen in kleedkamers ‘zich amuseeren met theatergrappen en met kleedkamerpraatjes en door ondeugende anecdoten over de prentbriefkaart-schoonheden! Ik geloof dat vulgaire menschen hun rust geven.’ Deze context doet bovendien vermoeden dat het woord kleedkamerpraatjes al in 1923 een erotische connotatie had, dus verwees naar vulgaire praatjes. Pussy talk, zoals Trump het misschien zou noemen.

‘Kleedkamerpraat ontbreekt in Van Dale,’ besluit Sanders in NRC, ‘maar zal zonder twijfel snel worden toegevoegd’. Dat vermoeden lijkt me in elk geval gerechtvaardigd.

Laat een reactie achter