zondagswoner

geplaatst in: Woord van de dag | 0

Sommige woorden die je voor het eerst in de krant ziet, lijken meteen vertrouwd. Zondagswoner is daar een goed voorbeeld van. Als je het leest, denk je meteen: o, dat zal wel iemand zijn die alleen op zondag ergens woont. Een vader die door de week op een boorplatform werkt en woont, bijvoorbeeld, of iemand die in een latrelatie verzeild is geraakt. Maar nee, dat is het niet. Sterker nog: op internet is het woord helemaal niet te vinden.

Vandaag debuteert het woord in onzet taal, heel bescheiden – op pagina 13 van de Telegraaf. ‘Zondagswoners moeten huis uit’ kopt die krant. Wat blijkt? De Raad van State heeft een uitspraak gedaan over huiseigenaren van het Haagse recreatiepark Rijn-Schie die daar permanent wonen. Dat park is eigenlijk een volkstuincomplex en volgens de hoogste rechterlijke instantie in Nederland verblijven die mensen er illegaal. Het bericht bestaat verder slechts uit een paar korte quotes van een parkbewoner:

‘Wij zijn ernstig geraakt. Veel huisjes zijn destijds met een hoge hypotheek gekocht en nu onverkoopbaar geworden’, zegt Cor van der Meer, bestuurslid van het park. Een vergoeding zit er niet in, stelt de gemeente, ’aangezien de bewoners er zelf voor hebben gekozen om in strijd met de wet op het complex te overnachten’.

Dat is alles. Maar wat doet die zondagswoner dan in de kop van een bericht dat gaat over permanente bewoners? Wat weet de koppenmaker (en wij niet) dat hij deze kop zo heeft geformuleerd?

Het artikel biedt geen aanknopingspunten.

De woordenschat dan, zijn daar analoge gevallen in te vinden? Ook niet. Zondag is weliswaar een tamelijk productief eerste woorddeel in samenstellingen als zondagsrijder, zondagsfietser, zondagsjager, ter aanduiding dat de door het tweede woorddeel genoemde persoon onervaren (en onhandig) is. Maar met dit betekenispatroon in het achterhoofd kan zondagswoner niet worden verklaard.

Is zondagswoner dan een onzinwoord?

Ja en nee. Via de krantendatabank Delpher is welgeteld één artikel – uit 1970! – te vinden waarin het – mogelijk verwante – woord zondagsbewoner voorkomt. En laat dat woord nu óók opduiken in een bericht over volkstuiniers. Het Algemeen Dagblad van 12 augustus 1970 schrijft dat volkstuiniers achter het Ajaxstadion in Amsterdam het veld moeten ruimen. Sommigen zijn daar ernstig door gedupeerd, want de gemeente biedt wel wat compensatie, maar veel minder geld dan veel volkstuiniers in hun volkstuinhuisje hebben gestoken: ‘Daarbij komt’, schrijft de krant, ‘dat de helft van de vakantie- en zondagsbewoners boven de 65 is’ en niet meer zo flexibel om elders een nieuw volkstuintje te beginnen. Hé, een clue?

Wie weet. Vakantie– en bijvoorbeeld weekendbewoner tref je iets vaker aan in verband met volkstuintjes en parken waar mensen permanent of semipermanent verblijven. Getuige het AD-bericht uit 1970 is zondagsbewoner in de (spreek)taal van de volkstuinier eveneens min of meer bekend.

Als we daarvan uitgaan, waarom heeft de koppenmaker van de Telegraaf het woord zondagsbewoner dan verkort tot zondagswoner?

Waarschijnlijk omdat zondagsbewoner nét niet paste boven de smalle berichtkolom. Als die hypothese klopt, is zondagswoner een woord dat uit nood geboren is. Daar is op zichzelf niets mis mee, maar in dit geval moet je wel van heel goede wil zijn om het woord als welgevormd woord te accepteren. We kunnen zondagswoner daarom maar beter vergeten. Tenzij, ja tenzij anderen het woord overnemen …

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.