sjoemelsoftware

sjoemelsoftware

geplaatst in: Woord van de dag | 0

Sjoemelsoftware, dat bij Onze Taal (en later ook bij Van Dale) is uitgeroepen tot het woord van het jaar 2015, werd op 21 september 2015 voor het eerst in het Nederlands aangetroffen. In een FD-artikel van Heiko Jassayan om precies te zijn. Op dezelfde dag maakte het woord sjoemeldiesel zijn debuut in onze taal (met kleine letters), maar dan in De Volkskrant.

Is Heiko Jassayan nu de eerste gebruiker en tevens de geestelijk vader van het Woord van het jaar 2015?

Ja en nee. Ja, hij is de eerste gebruiker, omdat hij in het Nederlands de eerste (journalist) was die het woord opschreef of althans publiceerde. En ja, hij heeft het woord in het Nederlands geïntroduceerd, maar daarmee is hij nog niet meteen de geestelijk vader van het woord. Sjoemelsoftware is namelijk een voor de hand liggende samenstelling, voor het bedenken waarvan geen speciale taalcreativiteit nodig is.

Het is spijtig voor de eerste gebruiker, maar woordenboeken vermelden gewoonlijk niet de eerste gebruikers van een woord, zeker niet als die het woord onbewust hebben geïntroduceerd. Alleen als een woord bewust gecreëerd is om een lacune in de taal te vullen, wordt de bedenker soms als geestelijk vader vermeld in woordenboeken. In andere gevallen gebeurt dat niet. Als bijvoorbeeld een opmaakredacteur of koppenmaker van de krant een woord bedenkt om kort en bondig in de krantenkop de inhoud van een artikel samen te vatten, zal hij zijn naam niet vereeuwigd zien in het woordenboek. Een goed voorbeeld daarvan is het woord sukkelseks, dat nu aan Goedele Liekens wordt toegeschreven, terwijl het door de koppenmaker van Trouw is bedacht.

Trouwens, het woord sjoemelsoftware kwam ook niet helemaal uit de lucht vallen. Bij onze oosterburen werd de Duitse pendant Schummelsoftware op 7 maart 2001 al eens aangetroffen in Die Zeit en de samenstellingen met sjoemel hingen de laatste tijd al in de lucht. Je kunt in zo’n geval niet met goed fatsoen spreken van een geestelijk vader.

Op 1 oktober schreef ik in Trouw over sjoemelen (en de nieuwe samenstellingen daarmee):

De afgelopen week lazen we dagelijks in de krant wel een nieuwe samenstelling met het werkwoord sjoemelen: sjoemeldiesel, sjoemelsoftware, sjoemeltechnologie, sjoemelmotor, sjoemelauto. Ook een paar jaar geleden was sjoemelen populair in samenstellingen. Niet alleen als eerste woorddeel in sjoemelwetenschap en sjoemelprofessor, maar ook als tweede lid in voedselsjoemel.

Er komen steeds meer sjoemelwoorden. Zo werd op internet al eens het woord sjoemelfiets gebruikt ter aanduiding van een elektrische fiets. In het Limburgs heet zo’n fiets trouwens mooi allitererend een foetelfiets, mailde een lezer. Foetelen is namelijk een gewestelijk synoniem van sjoemelen.

Sjoemelen komt volgens het ‘Chronologisch woordenboek’ pas sinds 1971 voor in onze taal, maar afgaande op de krantendatabank Delpher is het woord al eerder ingeburgerd. Zo vroeg een rechter volgens De Telegraaf van 25 juni 1960 aan een verdachte: “Sjoemelt u vaak met de fiscus?” En er zijn zelfs vindplaatsen van dit woord in de jaren dertig te vinden.

Waarschijnlijk is sjoemelen – net als het merk Volkswagen, waardoor het dezer dagen populair is – vanuit het oosten de Nederlandse grens gepasseerd: sjoemelen is ontleend aan het Duitse werkwoord schummeln, dat onder meer iets stilletjes wegwerken of bedrog plegen betekent. Waar het Duits dat woord vandaan heeft, is onduidelijk. Jiddisch is het in elk geval niet. Omdat schummeln ook wel heen en weer rennen betekent, wordt er soms een verband gelegd met ons woord schommelen, dat in essentie heen en weer bewegen betekent.

Laat een reactie achter