schaamgeur

geplaatst in: Woord van de dag | 0

NRC-columniste Gemma Venhuizen schrijft vandaag over luchtjes: vieze luchtjes, lekkere luchtjes en luchtjes die een bepaalde associatie oproepen, of nostalgische gevoelens:

Worden die geuren daardoor lekkerder? Ik ben geneigd ‘ja’ te zeggen, net zoals er andersom ook schaamgeuren bestaan, aangename aroma’s die meer en meer gaan rieken omdat ze op je geweten inspelen. De geur van houtkachels op een koude winteravond: ooit instant-behaaglijkheid, nu louter luchtvervuilingsgêne.

In 2020 figureerde in Trouw al eens het woord schaamlucht, dus het fenomeen waar schaamgeur naar verwijst, is in elk geval niet nieuw. Maar het woord is dat wel, hoewel het niet heel onvoorspelbaar is. Want met de stam van het werkwoord schamen worden wel vaker gelegenheidswoorden gemaakt: een Tesla wordt de laatste tijd soms een ‘schaamauto’ genoemd, er zijn schaamdingen (dingen waar je je voor schaamt) en schaamgedachten.

De manier waarop Gemma Venhuizen het woord schaamgeur gebruikt, is wel opmerkelijk. Je zou verwachten dat met schaamgeur een vies luchtje wordt bedoeld, bijvoorbeeld van oud zweet, maar Venhuizen gebruikt het om te verwijzen naar luchtjes die je vroeger lekker vond (bijvoorbeeld de geur van een knappend haardvuur), maar waar je je met de kennis van nu voor schaamt dat je ze ooit lekker hebt gevonden.

Gecompliceerd.

Daarom licht een wat meer algemene definitie van schaamgeur voor de hand.

Definitie

schaamgeur (de, -en) geur waarvoor iemand zich schaamt of kan schamen, bijvoorbeeld een zweetlucht

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *