In zijn column in Trouw typeert Stephan Sanders zich vandaag als ‘zomerkatholiek’:
Zoals elke verliefdheid kent ook deze in de loop van de tijd temperatuurverschillen, van gloeiend heet tot lauw en koud, met alles daar tussenin. Alleen al door het weer is het winterseizoen in die onverwarmde grote kerk van me een beproeving voor mijn grote, kale kop. Want blootshoofds zal de gewone mannelijke kerkganger gaan. Van nature ben ik een zomerkatholiek.
Sanders gebruikt het nieuwe woord zomerkatholiek letterlijk voor een katholiek die liever ’s zomers dan ’s winters naar de veelal slecht verwarmde kerk gaat. Maar het woord roept ook allerlei figuurlijke associaties op. Dat komt doordat het herinnert aan onder meer kerstchristen, paasprotestant, suikerfeestmoslim, mooiweerkatholiek, zomerchristen en zelfs aan Gerard Reve’s vinding natuurkatholiek. Dat zulke woorden associaties oproept, ligt aan het tweede woorddeel: de naam van een gelovige.
Op het moment dat je daar iets voor zet, krijgt zo’n naam van een gelovige – of van bijna elke aanhanger van een ideologie – meteen een tweede, figuurlijke betekenis. Je hebt dan de neiging om dat eerste woorddeel, zomer, kerst, suikerfeest, als een soort moderator van het tweede deel (christen, katholiek, moslim e.d.) te beschouwen en dan gaat een zomerkatholiek al snel het tegenovergestelde van een hardcorekatholiek betekenen, zoals een biefstuksocialist het tegenovergestelde aanduidt van een gestaalde socialist.
Definitie
zomerkatholiek (de, -en) iemand die vooral ’s zomers blij is rooms-katholiek te zijn, met de bijgedachte dat hij het geloof met een zekere lichtheid en luchtigheid belijdt.
Geef een reactie