pechgeneratie

geplaatst in: Woord van de dag | 0

Generaties komen en gaan, ook in de pensioenwereld. Sinds een tiental jaren is daar sprake van de geluksgeneratie. Daarmee wordt grofweg de generatie van de babyboomers bedoeld. Mensen die tussen 1946 en 1955 geboren zijn en die dus al met pensioen zijn of binnenkort met pensioen gaan. Het zijn mensen die de sterke welvaartsgroei na de Tweede Wereldoorlog ten volle meegemaakt én benut hebben, waardoor ze een relatief groot vermogen hebben opgebouwd. Ze hebben verhoudingsgewijs weinig pensioenpremie betaald (omdat de babyboomers met zovelen waren en de vorige generatie geen grote pensioenaanspraken had), maar genieten nu wel van een groot pensioen.

Tegenover de geluksgeneratie is in de pensioenwereld sinds een paar jaar een generatie bekend die wel de pechgeneratie wordt genoemd. Sommigen zeggen dat die pechgeneratie bestaat uit alle mensen die na de babyboom zijn geboren. Iedereen van 60 of jonger. Anderen zijn van mening dat de pechgeneratie vooral bestaat uit jonge mensen, tot een jaar of veertig, vijftig, die lang door zullen moeten werken en bij hun pensionering de hond in de pot zullen vinden.

De Volkskrant schrijft vandaag over deze pechgeneratie. Aanleiding is de verschijning van het boek  Wanbeleid, Algemeen Burgerlijk van Martin Pikaart. Pikaart, die eerder al De Pensioenmythe publiceerde, schetst een inktzwart beeld voor alle werkenden die na de babyboomers komen, vooral voor veertigers en zij die jonger zijn. Zij betalen zich ongelukkig aan pensioenpremies, maar zullen na hun werkzame leven de hond in de pot vinden. Voorspelt hij.

Eerder dit jaar figureerde het woord pechgeneratie ook al eens in een krantenbericht en het heeft er dan ook veel van weg dat het woord langzamerhand enige bekendheid krijgt. Misschien wordt het woord zelfs nog eens courant, maar te hopen is dat niet. Want dat zou weleens kunnen betekenen dat de pechgeneratie écht een probleem heeft.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.